Tips voor spelers

tekst Annemie Hermans


Besnaring 

          ·    Er zijn twee soorten snaren te koop:  

a. Met ronde draad omsponnen snaren. Bij dit type snaren zijn de g- en de d-snaar met dunne ronde draad omsponnen en de snaar heeft een golvend profiel. De a- en de e-snaar zijn blank. Dit snarentype heeft een heldere, metaalachtige klank. Het klankverschil tussen de omsponnen en de niet-omsponnen snaren is echter zeer groot. De a-snaar verstemt zeer snel wanneer de vingers van de  linkerhand met veel druk de tonen grijpen.  

b. Met vlakdraad omsponnen snaren. Hierbij zijn de g-, de d- en de a-snaar met vlakdraad omsponnen en daardoor heeft de snaar een glad profiel. De e-snaar is niet omsponnen, dus blank. Deze snaren zijn in de toonvorming wezenlijk meer in evenwicht met elkaar en brengen een warme, ronde toon voort.  

          ·        Hoe lang zijn de snaren bespeelbaar?  

de g- en d-snaren:        ca. 1 jaar
de a-snaren:                 ca. ˝ jaar
de e-snaren:                 ca. 2 - 3 maanden  

De korte bespeelbaarheid van de e-snaar is als volgt te verklaren: de niet-omsponnen snaar is hoogst gevoelig voor transpiratievocht, neemt dit op en is reeds na korte tijd niet meer zuiver bespeelbaar, er klinkt een licht kletterend geluid mee en de tonen vanaf de derde positie zijn te laag. Een tip: alleen met gewassen handen spelen en na het spelen de snaren zorgvuldig afvegen met een niet pluizende doek.  

          ·        Snaaradvies  

Voor mandoline de e-snaar van Hannabach (Flat woundno. 282 E1 011p), de overige snaren van Thomastik (Mittel). Voor mandola alle snaren van Thomastik.  

          ·        Het snaren opzetten  

Bij het foutief opzetten van snaren kunnen er vele bijgeluiden ontstaan. Draait men de gehele lengte van een snaar op het verlengde van de stemknop dan is het zuiver stemmen zeer moeilijk en kunnen genoemde bijgeluiden ontstaan. Als lager moet worden gestemd dan gaan de vele draaiďngen van de snaren losser zitten en zodra men gaat spelen trekken ze weer bij, met als gevolg dat het instrument binnen een paar tellen niet meer stemt. Het is beter de snaren zover door het gat van de stemknop te trekken dat de snaar zich nog ongeveer drie centimeter van de toets laat optillen. Het einde van de snaar wordt eenmaal om de snaar gedraaid die naar de stemknop toeloopt en dan wordt de snaar omhooggedraaid en gestemd.  

De overtollige snaarrest wordt met een tangetje afgeknipt, daar dit anders vervelende trillingen veroorzaakt. Om het instrument te sparen dient bij het vervangen van snaren steeds maar één snaar tegelijk afgedraaid en opgezet te worden (dit in verband met de druk van de snaren op het bovenblad en hals). Daardoor kan het ook niet gebeuren dat men een snaar op de foute stemknop draait en is het stemmen gemakkelijker. Bij de eerste keer opstemmen wordt de snaar een beetje opgerekt: men trekt de snaar voorzichtig met een vinger ongeveer 1-2 cm boven de toets en rekt ze zo wat uit. Op die manier houdt de stemming vanaf het begin beter. Uiteraard dienen er steeds twee snaren opgezet te worden, wanneer er één van de twee gesprongen is, omdat een ingespeelde snaar nooit dezelfde toonhoogte heeft dan een nieuwe. De rek is al meer uit de ingespeelde snaar. Als het met losse snaren zuiver klinkt, stemt het niet zodra men een toon grijpt, wanneer men maar een van de twee snaren heeft vervangen.    

Afdempen 

De snaren van de mandoline dienen onder de mouwbeschermer afgedempt te worden, daar anders de tonen die er ontstaan door beweging van het stuk snaar tussen de kam en snarenhouder, storend kunnen gaan meeklinken. Daarom schuift men een deel van een opgevouwen papieren zakdoekje of een stukje leer tussen de snaren en de mouwbeschermer. Daarna goed controleren of er geen tonen meer klinken bij het aanslaan van de snaren tussen kam en mouwbeschermer. Bij sommige instrumenten dient men nog te dempen tussen de het bruggetje boven aan de toets en de stemknoppen. Leg een stukje leer vlak achter het bruggetje tussen de snaren en het hout. Dit is noodzakelijk wanneer een toon, ondanks een goede instelling van de kam, toch nog te hoog of te laag klinkt. Bijvoorbeeld de toon g op de d-snaar klinkt te hoog. De oorzaak kan dan zijn dat een van de naar de stemknoppen lopende snaren meevibreert tot een gis.    

Instellen van de kam 

De zuiverheid van de tonen is niet alleen afhankelijk van de kwaliteit en de ouderdom van de snaren, doch ook van een juiste instelling van de kam. Om die te controleren is de volgende test noodzakelijk: speel een oktaaf-flageolet. Dit gaat als volgt: tijdens de aanslagbeweging wordt het snarenpaar ter hoogte van de dertiende fret met een vinger van de linkerhand heel licht aangeraakt en weer snel omhoog getrokkken. Zo ontstaat er een flageolet. Deze toon moet gelijk zijn aan de gegrepen toon in het twaalfde vak.

Als de gegrepen toon te hoog is, moet de mensuur verlengd worden, dit wil zeggen dat de kam voorzichtig een beetje in de richting van de snarenhouder geschoven moet worden.   Als de gegrepen toon lager is dan de flageolet, dan wordt de kam in de richting van het klankgat geschoven. Maar voorzichtig: een paar milimeter is vaak al genoeg. De kam staat bij een juiste instelling altijd een beetje scheef, bij de e-snaar staat hij een beetje dichter naar het klankgat toe dan bij de g-snaar. Verder dient de kam met de uiteinden altijd stevig op het bovenblad te drukken, zodat er een volledige klankoverdracht kan plaatsvinden. Het is vanzelfsprekend dat ook de rest van de kam goed aansluit op het bovenblad.    

Loop van de snaren bij de kam en de bovenbrug   Bij veel mandolines is de afstand tussen de snaren bij zowel kam als brug niet goed verdeeld. Om een gelijkmatige aanslag te verkrijgen, of het nu vallend of niet vallend is, moeten de afstanden tussen de snarenparen bij de kam allemaal even groot zijn. De afstanden bij de kam dienen als volgt te  zijn:  

a.        De buitenmaten van de snarenparen:  

·      g-snaar: 2,5 mm
·      d-snaar: 2,3 mm
·      a-snaar: 2 mm
·      e-snaar: 2 mm  

De gelijkgestemde snaren mogen nooit verder dan 2,5 mm uit elkaar staan. Dit geldt vooral voor de g-snaren die vaak te ver uit elkaar staan, waardoor vanaf het vijfde vakje de snaren uit elkaar geduwd worden met spelen. Deze afstanden zijn voor de mandola wat groter, daar de snaren dikker zijn.  

b.      De afstand tussen de koren bedraagt overal 9 mm.  

Dit is bij alle mandolines hetzelfde of ze nu een brede of smalle hals hebben, daar de toets bij het klankgat altijd breder is dan bij de bovenbrug.  

Verder wordt de indeling van de bovenbrug door bouwers niet altijd even nauwkeurig gemaakt. Hier dienen ook gelijkmatige afstanden voor te komen, waarbij de volledige breedte van de brug benut wordt, daar anders de tonen niet zuiver gegrepen kunnen worden.    

Defecten die afbreuk doen aan het instrument 

Zeer vaak en ondanks alle moeite om het instrument volgens de hiervoor besproken zaken in orde te brengen, zijn vele instrumenten niet zuiver en zonder storende bijgeluiden te bespelen. Dit kan een van de volgende redenen hebben:  

a.    De inkepingen bij de kam en de bovenbrug zijn te groot en oneffen, waardoor de snaar niet
       helemaal aansluit (de geleiding van de snaar is niet goed) en er een kletterend geluid ontstaat.
       De betreffende plek dient dan met een daarvoor bestemd vijltje (te koop bij de Firma Trekel in
       Hamburg onder de naam "Sattelfeile"), of met een opgevouwen stukje fijn polijstpapier (no.
       1200) voorzichtig te worden gevijld.  

b.    De hals is krom getrokken: er kan niet meer zuiver geďntoneerd worden en het instrument is
       zwaar bespeelbaar. Als men vanaf de de kop van het instrument, over de snaren naar de kam
       kijkt, moet de hals een rechte lijn zijn. Zit er een verzakking, bv. bij het 12e vakje, dan is de hals
       krom en moet het instrument door een mandolinebouwer gerepareerd worden.  

c.    Als de fretten op de plaats waar ze door de snaar worden geraakt, meer dan 0,2 mm zijn
      ingelopen, zijn de fretten doorgespeeld en gaan vele tonen kletteren. De fretten moeten dan
      vervangen worden. De veel gebruikte oplossing om de fretten alleen maar te vlakken, i.p.v. te
      vervangen is af te raden, daar dit een oplossing is voor korte tijd. Sommige tonen kletteren dan
      even niet meer, doch de totaalklank van het instrument gaat er op achteruit. Het is goed om de
      fretten te laten vervangen van de 1e tot de 10e of de 12e fret bij de instrumentenbouwer. Het
      kan ook voorkomen dat een enkele fret loslaat: het instrument klettert dan bij een bepaalde
      toon. Daar waar het instrument weer zuiver klinkt, is de fret los. Hieraan moet ook de reparateur
      te pas komen (ga nooit zelf hameren!)  

d.    Barsten in een instrument of loslatende bebalking aan de binnenkant zijn vaak de oorzaak van
       bijgeluiden. Barsten in het bovenblad en de zijrand dienen meteen door een mandolinebouwer
       gerepareerd te worden om grotere schade te vermijden. Kleine barsten in de achterkant zijn niet
       zo gevaarlijk voor het instrument, doch dienen ook gerepareerd te worden. Loszittende
       bebalking aan de onderzijde van het bovenblad kan opgespoord worden door zachtjes met de
       vingerknokkels op het bovenblad te kloppen. Indien er dan iets rammelt, is reparatie op korte
       termijn noodzakelijk.  

e.    Het bovenblad is ingezakt: ca. vanaf het 7e vak zijn de tonen niet meer helder. Een
       instrumentenreparateur kan zeggen of het loont om het bovenblad te laten vervangen.    
      

Het plectrum 

Wat voor gitaristen de goed gevormde en gepolijste vingernagel en voor violisten de strijkstok is, is voor mandolinisten het plectrum. De kwaliteit en de vorm van het plectrum speelt bij de toonvorming een grote rol. Het plectrum dient een heel klein beetje buigzaam te zijn, waardoor er geen oncontroleerbare eigenbeweging van het plectrum kan ontstaan bij de aanslag. Zachte plectrums geven altijd bijgeluiden, zoals kletteren. Ook zijn bij het spelen met een zachte plectrum aspekten als dynamiek (vooral bij het forte spelen) begrensd.  

De laatste jaren wordt er steeds meer gebruik gemaakt van de zgn. "Wolle-plectrums”: een uit witte of blauwe kunststof gemaakte plectrum.  

De plectrums die gekocht kunnen worden zijn nog niet speelklaar, maar moeten gevijld worden: de spits wordt iets gerond en de scherpe zijrandjes worden er af gehaald. Eerst wordt dit gedaan met polijstpapier nr. 600, daarna met polijstpapier nr. 1200 en met een stukje leer wordt de behandeling afgemaakt. Een goede toonvorming kan alleen ontstaan wanneer de geronde spits volledig glad is, zonder krassen en haarscheurtjes. De spelers dienen hun plectrum zeer goed te verzorgen en ook later steeds te controleren en indien nodig na te polijsten. Aan zorgvuldige plectrumverzorging dient ook bij de opleiding van leerlingen vanaf het begin grote aandacht besteed te worden.  

Schildpad- en gitaarplectrums zoals bijv. van het merk Gibson of Fender worden steeds minder gebruikt omdat de toonvorming erg "dun” is. Ook deze plektra moeten zorgvuldig gepolijst worden.  

Een vergelijking tussen beide plectrumtypes levert het volgende op:"Wolle-plectrums" geven, wanneer ze de juiste dikte hebben en een gepolijste punt, een donkere en warme toon. Schildpadplectrums geven een heldere, scherpere toon. Welke plectrum men kiest ligt aan de hoorverwachting die men heeft.